CBG bronnen
Schrijven
Een vrouw aan het schrijven aan boord van de MS Colombia op weg naar Madeira, 1934. Fotocollectie Van de Poll. Foto: Willem van de Poll, Nationaal Archief / Fotocollectie Van de Poll. Licentie CC-BY

Familiegeschiedenis schrijven

Tekst: Lilian de Bruijn
Beeld: Hester van der Velde

Het moment is gekomen. Je hebt onderzoek gedaan en materiaal verzameld over je eigen familie of die van een ander. Je wilt het materiaal verwerken in iets lezenswaardigs zodat ook anderen er kennis van kunnen nemen. Maar hoe doe je dat en waar begin je aan? Lilian de Bruijn, redacteur bij het CBG, helpt je op weg.

portret van Sanne Bruinier, Bertha van Hasselt, 1927.jpg 1

Portret van Sanne Bruinier, Bertha van Hasselt, 1927. Collectie Rijksmuseum.

1
Jan maakt huiswerk aan een tafel, Anny Leusink, in of voor 1926.jpg 2

Jan maakt huiswerk aan een tafel, Anny Leusink, in of voor 1926. Collectie Rijksmuseum.

2

Zoek een invalshoek

Om te beginnen is het handig om een goede invalshoek te zoeken van waaruit je je verhaal gaat vertellen. Is er een duidelijk thema in de familiegeschiedenis? Armoede bijvoorbeeld, of maatschappelijke status? Of oorlogen, de watersnoodramp, dekolonisatie, immigratie, emigratie, ruzie binnen de familie, of een familiegeheim – om maar een aantal zeer uiteenlopende en ongelijksoortige thema’s te noemen. Is er een beroep dat van generatie op generatie, van vader op zoon of van moeder op dochter is doorgegeven? Als je een thema als invalshoek neemt, kun je je verhaal aan de hand daarvan vertellen.

Ook een onderzoeksvraag – al dan niet beantwoord – kan het uitgangspunt voor je verhaal vormen. Ga eens helemaal terug naar de start van je onderzoek. Hoe en waarom ben je destijds begonnen? Wat was je vraag, wat wilde je weten? Wat heeft het je aan nieuwe vragen en antwoorden opgeleverd? Veel onderzoekers beginnen met de vraag naar de herkomst van een familienaam, of de vraag of een bepaalde familie altijd in een dezelfde streek heeft gewoond. Of de vraag in hoeverre een familieverhaal over een bepaalde her- of afkomst klopt. Maar het kan natuurlijk ook een overgeleverd verhaal zijn geweest dat je aan het zoeken heeft gebracht, of een familiegeheim; iets waarover niet mocht worden gesproken maar waar je wel je vermoedens over hebt.

Kies een structuur

Als je een familiegeschiedenis schrijft op basis van genealogisch onderzoek, ligt het voor de hand om dat te doen volgens een structuur die ontleend is aan de verschillende onderzoeksmodellen. Je begint je onderzoek over het algemeen met een kwartierstaat die in de loop der tijd naar allerlei kanten gaat uitwaaieren – van het heden naar het verleden dus. Maar als je gaat schrijven, zal je eerder geneigd zijn van het verleden naar het heden te gaan. Dan kun je dus beter kiezen voor bijvoorbeeld een stamreeks of een parenteel als leidende structuur.

Over sommige voorouders en familieleden ben je veel te weten gekomen, over andere maar een beetje en over weer andere (nog) helemaal niets. Je zult je voorkeuren hebben voor bepaalde familieleden of gezinnen. Misschien tref je markante persoonlijkheden aan, over wie je zo veel mogelijk probeert uit te zoeken. Over zo iemand zou je een portret kunnen schrijven of, als je genoeg materiaal hebt, een biografie of levensverhaal. Je maakt dus een keuze uit het materiaal, je hoeft niet alles te beschrijven.

Genealogisch onderzoek levert al gauw een hoop feitelijke informatie op in de vorm van namen, geboorte-, trouw- en sterfdata, woonplaatsen en beroepen. Je wilt die vondsten graag presenteren, maar je weet ook dat de kale feiten voor maar weinig mensen interessant zijn. In een publicatie kun je deze informatie het beste in een bijlage stoppen, waarnaar je in je lopende verhaal eventueel verwijst. Zorg ook voor een duurzame bewaarplaats voor al je gegevens, bijvoorbeeld in StamboomNederland.

portret van een schrijvende vrouw, Carel de Moor (II), 1666-1738.jpg 1

Portret van een schrijvende vrouw, Carel de Moor (II), 1666-1738. Collectie Rijksmuseum

1
Stambaum 2

Stambaum der Familie Lobbecke 1889. Prof. Hildebrandt, Berlin. CBG | Collectie handschriften

2

Tip! Schrijven geeft richting

Je hoeft niet te wachten met schrijven totdat je alles hebt uitgezocht. Begin gewoon als je nog midden in je onderzoek zit. Al schrijvend bedenk je vaak wat je nog meer zou moeten weten. Het schrijven kan richting geven aan je onderzoek.

Voorbeelden gebruiken

Als je een familiegeschiedenis wilt schrijven, hoef je natuurlijk niet het hele wiel opnieuw uit te vinden. Familiegeschiedenis is inmiddels een genre dat op allerlei manieren wordt beoefend. Boekwinkels en bibliotheken kunnen er een paar planken mee vullen, en de bibliotheek van het CBG heeft stellingkasten vol met familiegeschiedenissen, veelal door de desbetreffende auteur(s) in eigen beheer uitgegeven.

De CBG Bibliotheek heb je misschien al inhoudelijk geraadpleegd tijdens je onderzoek, om na te gaan wat er eventueel al is gepubliceerd over jouw familie. Voor je begint te schrijven kan het dus handig zijn om een tijdje te grasduinen in wat anderen hebben geschreven en te zien hoe zij het hebben aangepakt.

Een portret of biografie schrijven

Om een portret of biografie van iemand te schrijven, verzamel je om te beginnen zoveel mogelijk materiaal. Onderstaande punten en vragen kunnen je daarbij helpen, al zal je niet op elke vraag een antwoord hebben.

  • Geboorte en sterftedatum
  • Namen en bijnamen
  • In welke tijd leefde hij/zij?
  • Waar?
  • In één zin: Wat is kenmerkend voor die periode?
  • In één zin: Voor die plek / dat land/dorp / die stad?
  • Uiterlijke kenmerken: postuur, dik of dun, groot of klein, haarkleur, ogen, gezicht, kleding, manier van bewegen, manier van praten.
  • Opleiding / beroep, maatschappelijke positie.
  • Waar woonde  hij/zij, in wat voor soort woning?
  • Gezin waaruit hij/zij afkomstig was; broers en zussen, de hoeveelste was zij/hij in de rij?
  • Gezin dat hij/zij heeft gesticht, eventueel.
  • Heeft hij/zij ooit een heldendaad verricht?
  • En zo nee, waarom niet?
  • Politieke overtuiging?
  • Veroordelingen?
  • Kerkelijke gezindheid?
  • Bepaalde eigenaardigheden?
  • Verhalen in de familie over hem/haar?
  • Wat is jouw fascinatie bij deze voorouder?
  • Wat zou je hem/haar willen vragen?
  • Wat zou hij/zij daarop antwoorden?

Op basis van het verzamelde materiaal kun je een kort of heel lang portret schrijven. Je hoeft natuurlijk niet alles te gebruiken, misschien ga je verder op één van de gestelde vragen. Over zijn of haar kerkelijke gezindheid bijvoorbeeld, of over de heldendaad die zij of hij ooit heeft gepleegd. Of juist niet heeft gepleegd, en waarom dan niet.

Oral history / mondelinge geschiedenis

Als je geluk hebt, zijn er familieleden die je iets kunnen en willen vertellen over de familiegeschiedenis; uit eigen ervaring of wat zij dan weer ‘van horen zeggen’ hebben.

Mondeling overgeleverde verhalen kunnen verschillende doelen dienen. Je kunt ze als bron beschouwen: familieleden kunnen je informatie geven die je nergens anders kunt vinden. Realiseer je dan wel dat het vaak subjectieve informatie is; ieder geheugen is feilbaar en selectief, dus controleer de verhalen zo mogelijk op feitelijke juistheid of probeer anderen te vinden die je over een zelfde gebeurtenis kunnen vertellen zodat je de verhalen met elkaar kunt vergelijken.

Je kunt familieverhalen ook nemen voor wat ze zijn: vertelde verhalen. Noteer ze in de eigen woorden van degene die ze je heeft verteld – als je het gesprek opneemt, kun je letterlijke uitspraken overnemen en als citaat gebruiken.

Portret van een boer en boerin voor een huis, anoniem, ca. 1900 - ca. 1910

Foto’s en adressen als bron en basis

Een foto is meer dan een illustratief plaatje bij een tekst. Je kunt een foto ook gebruiken als genealogische bron, én als basis voor je verhaal. Voor de genealoog heeft een foto behalve emotionele, ook belangrijke informatieve waarde. Want wie staan er op de foto, waar en wanneer is de foto genomen en door wie? Als er nog mensen in leven zijn die iets zouden kunnen vertellen over die foto, zoek ze dan als de wiedeweerga op en zorg dat je ze aan het praten krijgt – en dat jij zoveel mogelijk opschrijft. Of neem het gesprek op. Schijnbaar onbelangrijke opmerkingen kunnen in een later stadium interessant blijken te zijn voor je onderzoek, en dus voor het schrijven over je familiegeschiedenis. (Daarbij is een geluidsopname van een familielid-op-leeftijd ook een dierbaar bezit voor later.)

Aan de hand van een foto kun je schrijven over de mensen die op de foto staan of over de gebeurtenis die de aanleiding vormde voor het maken van de foto (als je die weet natuurlijk). Maar je kunt ook iets verder gaan en je afvragen wat voor verhaal de foto zelf vertelt. Stel jezelf vragen over de foto, zoals: wat maakt dat zus Anneke zo ernstig kijkt, of: waarom staat broer Willem niet op deze foto? Achter elke foto zit een verhaal. Achter elke foto zit een andere foto, die niet werd gemaakt. Een foto is een momentopname, dus wat zouden we te zien kunnen hebben gekregen als de foto een moment eerder of later was gemaakt, of als de fotograaf z’n camera een stukje had verschoven voor hij afdrukte?

Sommige familiehistorici zijn in het gelukkige bezit van portretten uit de begintijd van de fotografie, toen de geportretteerden minutenlang stil moesten zitten om op de (glas)plaat te worden gezet. Het is goed om je te realiseren hoe bijzonder het in die tijd was om een afbeelding van jezelf of een dierbare te bezitten, en dat er een tijd is geweest waarin zelfs dat nog ondenkbaar was.

De Turkse schrijver Orhan Pamuk schreef over een zestiende-eeuwse miniatuurschilder aan het hof van de Osmaanse sultan. In Venetië ziet hij voor het eerst van zijn leven de levensechte afbeelding van een mens:

Op zekere dag kwam ik in een paleis oog in oog te staan met een schilderij dat mij versteld deed staan. Het schilderij was, meer dan wat ook, de afbeelding van iemand. Van iemand als ik. Het was natuurlijk een Europeaan, anders dan wij. Maar hoe langer ik naar hem keek, hoe meer ik het idee kreeg dat ik op hem leek. Terwijl hij juist totaal niet op mij leek. (…) de Italiaanse meester had de Venetiaanse edelman zo afgebeeld, dat je meteen kon zien dat hij het was en niemand anders. Als je die man nooit gezien had en men vroeg je hem te vinden, dan zou je hem, dankzij dat schilderij, onmiddellijk herkennen in een menigte van duizenden mensen. De Italiaanse meesters hadden een stijl en vaardigheid ontwikkeld waarmee je onverschillig welke man kon onderscheiden van ieder ander, niet dankzij zijn kleding en onderscheidingstekenen, maar dankzij zijn gezicht. Een portret noemen ze dat. Als je gezicht op zo’n manier wordt afgebeeld, al is het maar één keer, vergeet niemand je meer. Iemand die naar een afbeelding van jou kijkt voelt je in zijn nabijheid, al ben je nog zo ver weg. Ook iemand die je nooit in levenden lijve gezien heeft, kan, jaren na je dood, oog in oog met je komen, alsof je tegenover hem staat.’

Orhan Pamuk, Ik heet Karmozijn, Amsterdam 2013.

onbekend en anoniem, ca 1929-1943.jpg 2

Uit het fotoalbum, anoniem, ca 1929-1943 Collectie Rijksmuseum.

2
borstel 1

Net als een foto of adres, kan een voorwerp het uitgangspunt vormen van een tekst over je voorouders. Kijk en vraag om je heen in de huishoudens van je familieleden. Het hoeft niet per se een bijzonder of waardevol erfstuk te zijn, ook een simpel gebruiksvoorwerp kan tot familieverhalen leiden. Kledingborstel van ivoor met monogram JVN, anoniem, ca. 1910. Collectie Rijksmuseum.

1

Een adres of plek als basis voor je verhaal

Je kunt ook over familieleden, verwanten of voorouders schrijven aan de hand van een adres of een plek waar ze hebben gewoond of verbleven. Denk daarbij aan een woonhuis, een schip of een woonwagen, maar het kan ook om bijvoorbeeld een ziekenhuis, school (internaat), klooster, landgoed, weeshuis, gesticht of gevangenis gaan. Ga zo mogelijk naar die plek toe. Een afbeelding hebben is mooi, maar nog mooier is het als je zelf op die plek kunt staan. Het huis of gebouw is er misschien nog, dan kun je beschrijven hoe het er nu uitziet. Maar ook als het er niet meer is, heeft het zin om te gaan kijken, ruiken, voelen, luisteren.

De volgende tekst is een goed voorbeeld van zo’n beschrijving van een plek. Merk op hoeveel informatie je krijgt over wat er te zien was, maar ook over de geuren, de geluiden en de mensen die bij die plek hoorden.

'Geuren. Teer en touw, dat moeten bijna zeker de eerste geuren zijn geweest die mijn vader rook. Vers, nieuw touw, zeildoek en teer. Dan was er de geur van zout en golven, van de grootzeilen, schoenerzeilen, fokken, bramzeilen, razeilen en stormfokken die in de werkplaats te drogen hingen. Er was een keuken, die naar melk en brood rook, en later op de dag naar kaantjes en gebakken vis. En ten slotte was er iets van hout, en de koelte van staal.

De eerste geluiden. Binnenhuis klonk vanuit de werkplaats zo nu en dan geratel van een katrol of het gesleep met een rol zeil. Soms de stemmen van mijn grootvader en zijn twee oudste zoons, Koos en Arie. Buiten waren er de voetstappen, de karren over straat, het getinkel van de paardentram.

En dan waren er al die mensen die daar vlakbij aan het werk waren, in de smederij of de blokmakerij, even verderop, waar de broer van mijn grootvader masten en katrollen maakte, vaak buiten, op de kade, omdat zijn werkplaats te klein was.
’s Avonds waren er de stappen van een paar late wandelaars, de stem van de blokmaker die nog even kwam praten, de wind in de kastanjes, het schuren van de schoeners en kotters aan de kade, de stoten van een zware scheepshoorn, tweemaal, in de verte het gefluister van hekgolven en stoommachines, een vreemd, ver, glanzend verlicht paleis dat voorbijvoer, weg naar een andere wereld.

Mijn vader werd geboren op de 28ste september van het jaar 1900 in Schiedam, beter bekend als Zwart Nazareth, een kil rooknest aan de monding van de grootste rivier van het land'.


Geert Mak, De eeuw van mijn vader, Amsterdam 1999, pagina 11.


Suzanna Jansen beschrijft in haar boek Het Pauperparadijs een afbeelding van de plek waar een van haar voorouders naartoe gaat, om iets te vertellen over de gevoelens die ze bij haar voormoeder Cato vermoedt.

De eerste aanblik van het Derde Etablissement, het beeld zoals Cato Braxhoofden het moet hebben gezien, was twee jaar voor haar komst al vastgelegd op een gravure. Met die prent uit 1826 is iets vreemds aan de hand: er hangen wolken boven het gesticht, maar ze werpen aan de grond geen schaduw af. Op de voorgrond zie je een man met een stok en een bundeltje kleren op zijn rug. Hij staat op het punt de ophaalbrug over te steken, maar lijkt even zijn pas in te houden. Wil hij de uitgestrektheid van het gesticht op zich laten inwerken, of twijfelt hij of hij er binnen zal gaan? In het veld rondom zijn weinig mensen te zien: een voorovergebogen figuur bij een kruiwagen, een groepje kinderen, een eenling in het gras.
Cato moet op dezelfde plek hebben gestaan als die man met zijn stok. Over diezelfde ophaalbrug liep ze als meisje van dertien haar nieuwe thuis tegemoet. Het was op een dinsdag, 12 maart 1828. Ik zou willen dat ook zij even had geaarzeld, maar dat is onwaarschijnlijk. Ze had een zware reis achter de rug, het is logischer dat ze voortmaakte.


Iemand een gezicht geven

Van veel voorouders zal je geen beeltenis hebben in de vorm van een foto of een geschilderd portret, maar als je geluk hebt kun je je toch een beeld vormen. Op verschillende plekken, bijvoorbeeld in de militieregisters, het politieblad of gerechtelijke bronnen, kun je een persoonsbeschrijving tegenkomen: lichaamslengte en -dikte, vorm van het gezicht, kleur haar, manier van voortbewegen, specifieke kenmerken. Gebruik die informatie om een tot de verbeelding sprekende typering van die persoon te geven.

Ook kun je te rade gaan bij portretten uit de tijd en streek waar je voorouder of familielid leefde. Ga eens na welke kleding er werd gedragen binnen de maatschappelijke klasse waartoe hij of zij behoorde. Allemaal manieren om die persoon in jouw verhaal een gezicht (en lichaam) te geven.

Signalement in stamboek

Historische context

Om een beter beeld te krijgen van het leven dat je voorouders leidden, is het belangrijk om meer te weten te komen over de sociale omstandigheden en de tijd waarin ze leefden. Zoek literatuur over de geschiedenis van de regio of de stad waar ze woonden. Ga te rade bij plaatselijke historische werkgroepen – vaak hebben zij een tijdschrift, organiseren ze lezingen of maken tentoonstellingen waar je veel te weten komt over de geschiedenis van de streek, stad of het dorp. Hetzelfde geldt natuurlijk voor historische gebeurtenissen waar je voorouders mee te maken hadden. Dat kan gaan over (inter)nationaal belangrijke gebeurtenissen als oorlogen, overstromingen of epidemieën, maar ook over iets plaatselijks als de bouw van een nieuwe woonwijk of de komst van een beroemdheid naar het dorp. Allemaal gebeurtenissen die een rol kunnen hebben gespeeld in hun leven. Aan jou de taak om erover te schrijven en je voorouders in die context te plaatsen.

Meer weten over de tijd waarin je voorouders leefden en over de geschiedenis die zij aan zich voorbij hebben zien trekken, kan je ook op nieuwe ideeën brengen voor je onderzoek.

krant 1

Kranten uit het verleden geven context aan je verhaal. Bekijk bijvoorbeeld de krant van de huwelijksdag voor je voorouders via Delpher. Leeuwarder courant van 2 feb. 1887 via Delpehr.nl

Delpher 1
De landbouw 2

Probeer een beeld te vormen van het leven van je voorouder. De landbouw, De Ruyter & Meijer, 1874. Collectie Rijksmuseum.

2

Feit en fictie


Genealogisch onderzoek gaat over feiten, familiegeschiedenis over verhalen. Als genealoog probeer je zo veel mogelijk feiten te verzamelen: de belangrijke data van geboorte, doop, huwelijk en overlijden, maar ook informatie over opleiding, beroep, verhuizingen, ziekte en gezondheid, rechterlijke veroordeling, et cetera. Om van die feiten een familiegeschiedenis te maken, kan het helpen om af en toe ook te speculeren of te fantaseren over het leven van je voorouders. Dat mag je doen – jij bent immers de baas over wat je schrijft – maar hou je wel aan de regels van de non-fictie. Als je iets verzint of speculeert over hoe iets ‘geweest heeft kunnen zijn’, laat dat dan duidelijk zien in je tekst. Gebruik bijvoorbeeld een andere verteltijd (tegenwoordige of verleden tijd) of een ander lettertype dan in je lopende tekst. Of laat de tekst vooraf gaan door een overgang als: ‘Zo stel ik het me voor: …. .’ of: ‘En wie weet kwamen ze elkaar daar op die brug tegen. Jan nam zijn hoed voor haar af en zei …’

En ook hier geldt dat je, door je fantasie een beetje de vrije loop te geven, je op nieuwe ideeën voor je onderzoek kunt komen.

De toon van je verhaal

In het voorgaande ging het over het belang van het hebben van een invalshoek, het gebruik van een (aan de genealogische onderzoekspraktijk ontleende) structuur en reikte ik enkele bouwstenen voor je verhaal aan. Maar schrijven is meer dan de dingen opschrijven. Het gaat ook over de stijl, de toon, de sfeer, de melodie van de tekst – alles kortom waardoor een lezer het prettig vindt om je verhaal te lezen en ook graag verder leest.

Zoek voorbeelden

Eerder raadde ik je aan om te grasduinen in de geschreven familiegeschiedenissen van anderen om op ideeën te komen voor je eigen aanpak. Dat kun je ook doen als het gaat over minder makkelijk te benoemen zaken als de stijl waarin je zou willen schrijven. Je hoeft je daarbij uiteraard niet te beperken tot schrijvers van een familiegeschiedenis.

Je hebt vast wel een paar favoriete schrijvers in de kast staan. Ga eens na wie van hen schrijft zoals jij zou willen kunnen schrijven. Pak het boek erbij, blader het door en vind een passage die je uitermate bevalt; een pagina of twee. Neem dan een blaadje en een pen en schrijf de tekst woord voor woord over.

Dit is een manier om je de schrijfstijl als het ware toe te eigenen; tijdens het overschrijven zullen je meer dingen opvallen aan de schrijfstijl en het ritme van de tekst dan als je de tekst alleen maar leest. Zoals: gebruikt de schrijver veel of weinig bijvoeglijk naamwoorden, maakt-ie korte of juist lange zinnen, staat de tekst in de verleden of de tegenwoordige tijd?

de kunstenaar zelf en zijn gezin, Warner Horstink , 1796.jpg 2

De kunstenaar zelf en zijn gezin, Warner Horstink, 1796. Collectie Rijksmuseum.

2
Pieterse-tweeling.png 1

'zonen M. en L., zonen van Maurice, geboren Rotterdam'. CBG | Fotocollectie Pieterse

1

Schrijf als een lezer, lees als een schrijver

Dit klinkt misschien een beetje gek. Als je schrijft schrijf je, als je leest lees je, toch? Maar om goed te kunnen schrijven moet je als het ware voortdurend een fictieve lezer in je hoofd hebben, aan wie je af en toe vraagt: volg je me nog? Vind je het interessant? Wil je verder lezen? Het is de taak van jou als schrijver om je lezer nieuwsgierig te maken en tevreden te houden. Haal hem naar je toe en laat hem (of haar natuurlijk!) niet meer los tot aan het einde van het boek.

Omgekeerd is het handig om bij alles wat je leest een schrijversblik te ontwikkelen. Dat je niet alleen denkt: dat is knap geschreven, of spannend, of ontroerend – maar dat je je actief afvraagt: en hoe doet-ie dat eigenlijk?

Je vertelperspectief

Voor het schrijven van je verhaal gebruik je een vertelperspectief. Meestal doe je dat onbewust en wist je niet eens dat je een vertelperspectief hanteerde. Daarom is het goed om hier even bij stil te staan, zodat je de voor- en nadelen van het gebruik van een bepaald vertelperspectief tegen elkaar af kunt wegen en in de toekomst bewust kunt kiezen.

Er zijn drie vertelperspectieven:

  • De alwetend verteller zweeft als het ware boven de personages en gebeurtenissen. Hij weet alles van iedereen, kijkt vooruit en terug in de tijd, en kent de gedachten en gevoelens van alle personages. Voordeel: je kunt hiermee makkelijk een overzicht geven.

  • Het ik-perspectief: In dit vertelperspectief kijk je vanuit de beleving en kennis van de ik = verteller. De kennis is beperkt tot wat de ik-verteller weet of zich afvraagt. Voordeel: de lezer wordt stap voor stap meegenomen in de zoektocht van de ik-verteller.

  • De personale verteller: hij/zij perspectief (variant: wij). Kenmerk: kijkt vanuit de beleving en kennis van één personage in het verhaal.
    Voordeel: je kunt de lezer meenemen in de belevenissen van dat ene personage en daardoor een zekere mate van nabijheid en identificatie creëren.

De meeste familiegeschiedenissen worden geschreven vanuit het alwetend (ook wel genoemd het auctoriaal) vertellersperspectief. Logisch, want degene die schrijft is in zekere zin de allesweter die boven de gebeurtenissen zweeft, heen en terug kan kijken, en de afloop al weet voordat zijn personage in het verhaal zelfs is geboren. Het enige aspect van de alwetend verteller dat bij genealogen ontbreekt is natuurlijk de vaardigheid om in de ziel van hun personages te kijken.

Het geeft meer mogelijkheden en brengt meer variatie in het verhaal als je het alwetend perspectief afwisselt met de twee andere perspectieven – wel moet je in dat geval de overgang van het ene naar het andere perspectief duidelijk aangeven, bijvoorbeeld door een ander lettertype te gebruiken of door een nieuw hoofdstuk te beginnen.

Het ik-perspectief kan worden gebruikt op twee manieren:

Ten eerste vanuit de ‘enige echte’ ik die dit onderzoek doet. Die kan verslag doen van zijn/haar bevindingen en vragen stellen, twijfels uiten of speculaties doen over de ware toedracht van een gebeurtenis. Ten tweede kun je een persoon uit je familiegeschiedenis sprekend opvoeren en haar of hem iets laten vertellen. Dat kan op basis van een interview zijn, maar het kan ook op basis van je historisch gefundeerde (en duidelijk aangegeven) fantasie.

Met het personaal perspectief zoom je in op de wereld van één persoon; het lijkt ook wel op het ik-perspectief in die zin dat je in dit perspectief puur vanuit die ene persoon kijkt, voelt, denkt, hoort et cetera.

hand schrijvend met een kroontjespen, Isaac Weissenbruch, 1836-1912.jpg

Tegenwoordige of verleden tijd

Hij leeft van 1898 tot 1918. Hij leefde van 1898 tot 1918. Hij heeft geleefd van 1898 tot 1918.

Het is een kwestie van smaak, maar over het algemeen is het logischer om iets wat in het verleden is gebeurd ook in de onvoltooid of voltooid verleden tijd te zetten. Dus: hij leefde, hij heeft geleefd.

De tegenwoordige tijd kun je soms wel toepassen om de gebeurtenis dichter naar de lezer toe te brengen. Je wekt dan de suggestie: het gebeurt nu, op dit moment; het is bezig te gebeuren. Het is ook een beetje hoe je een verhaal aan iemand vertelt, op zo’n manier dat je er samen middenin zit of dat je het duidelijk voor je ziet. Bijvoorbeeld: ‘Daar staat hij, voor de imposante deur van het burgerweeshuis. Hij heeft allebei zijn ouders verloren en weet niet wat hem achter die deur te wachten staat. Hij is moederziel alleen.’

Flaptekst schrijven

Stel je voor, je manuscript is klaar, het wordt een boek, je hoeft alleen nog maar een tekst te schrijven voor op de achterkant. De tekst die de toekomstige lezer nieuwsgierig moet maken omdat er in het kort verteld wordt waar het boek over gaat en waarom de lezer het boek beslist moet lezen. Die tekst. Schrijf hem nu meteen, lang voordat je boek een boek is. Door een flaptekst te schrijven (ja, niet makkelijk) dwing je jezelf om na te denken wat voor boek je eigenlijk wilt schrijven.

Schrijftijd reserveren

Schrijven kost moeite en tijd – vaak meer dan je van tevoren had bedacht. Daar kun je moedeloos van raken. Je verzint van alles om het zo lang mogelijk uit te stellen of je zit een hele dag achter je bureau te piekeren en aan het eind van de dag heb je nog geen woord op papier of beeldscherm gekregen. Om te grote frustratie te voorkomen kun je deze truc toepassen: stel voor jezelf dagelijks of een paar keer per week een ‘schrijftijd’ vast, bij voorbeeld ’s ochtends van negen tot elf. Houd je strikt aan die tijd. Blijf zitten, ook al krijg je maar één zin op papier. Stop op de afgesproken tijd, ook al kom je om vijf minuten voor elf net goed los – niets is namelijk prettiger dan te stoppen op het punt waar je weet hoe het verder gaat, de rest van de tijd suddert het onbewust door en je kunt je verheugen op het moment dat je weer aan het werk mag.

Veel succes!

familieportret anoniem, ca 1860-1870, mogelijk familie Nathanson, Hannover.jpg