In de 19de eeuw had een groot deel van de Nederlandse bevolking te maken met armoede en ontberingen, die tot veel ziekten en een hoog sterftecijfer leidden. Veel mensen hadden niet voldoende geld voor de eerste levensbehoeften, voor onderwijs en medicijnen. Honger was geen onbekend fenomeen; van 1845 tot 1848 heerste er zelfs in het hele land hongersnood, waarschijnlijk als gevolg van aardappelziekte en runderpest. Maar hoe kom je nu te weten aan welke kwalen je voorouders leden?
Omdat ziekte en gezondheid hele individuele aangelegenheden zijn, kan er geen eenduidig, pasklaar antwoord op die vraag worden gegeven. Wel kunnen we je wat algemene aanwijzingen geven van waaruit je verder kunt zoeken.
Om te beginnen moet je natuurlijk al een aanwijzing hebben dát iemand ziek was. Over relatief eenvoudige aandoeningen zal je niet snel iets kunnen vinden, maar zeker als een voorouder enige tijd in een ziekenhuis heeft gelegen zijn daarvoor vaak aanwijzingen te ontdekken in de bevolkingsregisters of op gezins- of persoonskaarten. Staat er bij een van de leden van het gezin een afwijkend adres genoemd, of is een van hen verhuisd naar een niet zo voor de hand liggende plaats? Dan is de kans groot dat hij of zij in een geneeskundige instelling is opgenomen. In zo’n geval is het handig eenvoudigweg te kijken wat Google over de stad (of als je geluk hebt, het hele adres) te melden heeft.
Stond er in de tijd waarin je zoekt een groot ziekenhuis of een ‘krankzinnigengesticht’ in de betreffende stad? Dan loont het de moeite te kijken of je de patiëntenregisters te pakken kunt krijgen. Zoek in het stads- of regionale archief van de plaats in kwestie op de gevonden instelling, en kijk of er een patiëntenindex aanwezig is.
Helaas zijn veel dossiers in de loop der tijd vernietigd of verloren gegaan. Als je geluk hebt en het register dat je zoekt is wel bewaard gebleven, zul je in veel gevallen je onderzoek ter plekke moeten doen omdat de gegevens in verband met de privacywetgeving niet zijn gedigitaliseerd. Ook is de kans redelijk groot dat de archieven maar beperkt openbaar zijn. In zo’n geval zul je bij de archiefinstelling een verklaring moeten ondertekenen dat de gegevens alleen voor particulier (stamboom)onderzoek zijn en dat je ze niet zult publiceren.
De bewaard gebleven ziekenhuisarchieven kunnen volledige patiëntendossiers bevatten, maar ook summiere registers met aantekeningen over de verpleging en meer algemene stukken als kasboeken of statistieken. Een enkele keer kom je heel persoonlijke informatie tegen. Zo bevat het archief van het Gemeentelijk Sophia Ziekenhuis in Zwolle, dat bewaard wordt bij Collectie Overijssel, een verklaring uit 1911 van dokter N. van der Plaats, dat ‘de aan vernielzucht lijdende patiënt Van Oort in de isoleerkamer van het ziekenhuis is opgenomen’.
Sommige archieven, zoals het Stadsarchief Amsterdam, maken het zoeken beduidend gemakkelijker: bij de Indexen op hun website vind je de patiëntenregisters van het Binnen- en Buitengasthuis uit de periode 1818-1899. De gegevens die je daaruit kunt halen verschillen echter nogal: soms vermelden de registers alleen de persoonlijke gegevens en het aantal dagen dat de patiënt verpleegd is; een andere keer ook de naam van de afdeling (waaruit je de aard van de aandoening kunt herleiden), en soms ook de exacte kwaal. (Als je kennis van het Latijn wat is weggezakt, wil Google Translate nog wel eens uitkomst bieden.)
Als ze bewaard zijn gebleven, vermelden de ziekenhuisregisters ook dikwijls een doodsoorzaak. Zo kun je op de website van het Stadsarchief Amsterdam registraties van overledenen in het Gasthuis (zieken- of verzorgingshuis), Pesthuis en Spinhuis in de periode 1739 tot 1812 op naam doorzoeken. Ook de Amsterdamse patiëntenregisters van 1818 tot 1899 vermelden in geval van overlijden soms de doodsoorzaak – zelfs als het om zelfdoding ging.
Er zijn meerdere archieven die patiëntenregisters in hun collectie hebben, maar die zijn niet altijd online te vinden en ook niet altijd openbaar. Kijk daarom goed in de inventarissen van de betreffende archiefinstelling; zoek bijvoorbeeld op ‘patiënt’, ‘verpleging’ of ‘ziekenhuis’. Registers van de oude dolhuizen (of ‘gekkenhuizen’, inrichtingen voor de opvang van geesteszieken), pesthuizen of gasthuizen bevinden zich meestal bij de stadsarchieven.
Mocht een van je voorouders de pech hebben gehad te zijn ‘opgezonden’ naar een van de bedelaarsgestichten van de Maatschappij van Weldadigheid, kan jij het geluk hebben dat er een signalementskaart van hem of haar bestaat. Naast een foto bevatten deze kaarten een heel uitgebreide beschrijving van de persoon in kwestie, van de lengte van de pink tot de omtrek van de rechteroorlel, en de ‘bijzondere teekens’. Je vindt de signalementskaarten op de site van het Drents Archief.
Tijdens de Franse overheersing van ons land, van 1795 tot 1813, werd de dienstplicht ingevoerd. Na het vertrek van de Fransen bleef deze gehandhaafd, en moest van elke honderd inwoners één jonge man deelnemen aan de Nationale Militie, de voorloper van ons huidige leger. Wanneer ze werden opgeroepen, moesten de mannen gekeurd worden. Hiervoor werden overzichten opgesteld van ziekten en gebreken, die door de Militieraad aangestelde geneesheren gebruikten om iemand geheel of gedeeltelijk af te keuren. In de loop der tijd zijn deze overzichten aangepast op basis van voortschrijdend medisch inzicht.
In 1816 kon ‘het gehele verlies van den neus’ reden zijn om iemand geheel af te keuren, ‘vooral wanneer dit een zeer afschuwelijk aanzien geeft, en de ademhaling daardoor moeijelijk is’. Het verlies van (het gebruik van) het rechteroog leidde echter maar tot gedeeltelijke afkeuring, want ‘dit gebrek maakt de individus ongeschikt om als soldaat in de linie te fungeren, doch stelt hen niet buiten staat voor den dienst bij den trein’. (Treinsoldaten waren verantwoordelijk voor de aanvoer van het materieel op het slagveld.)
Je vindt een overzicht van de gehanteerde lijsten van ziekten en gebreken (als onderdeel van een Koninklijk Besluit) op de particuliere website van de familie Van de Velde.
Als een jongeman werd afgekeurd voor de dienst, werd hiervan een aantekening gemaakt in het militieregister. Ook kun je aanwijzingen vinden op het certificaat van de Nationale Militie dat werd afgegeven als een man ging trouwen, om aan te tonen dat hij aan zijn militaire verplichtingen had voldaan. Dit kon zijn ofwel doordat hij daadwerkelijk dienst had genomen, ofwel doordat hij was vrijgesteld op grond van, onder andere, lichamelijke gebreken.
Dikwijls bevatten dergelijke certificaten, net als de inschrijvingen in de militieregisters, ook een signalement van de persoon in kwestie. Onder ‘merkbare’ of ‘bijzondere teekenen’ vind je vermeldingen van bijvoorbeeld littekens, verwondingen, gedeeltelijke blindheid of ontbrekende vingers. De meeste militieregisters zijn online te vinden; ofwel direct via WieWasWie, ofwel via het gemeentelijke of regionale archief. De certificaten van de Nationale Militie maakten deel uit van de huwelijksbijlagen; deze kun je opvragen via FamilySearch. Hiervoor moet je je wel eenmalig (gratis) registreren.
Een minder voor de hand liggende bron, maar wel een die de moeite waard is te onderzoeken, zijn notariële akten, en met name testamenten. Deze worden bewaard bij de regionale en stadsarchieven van de plaats waar het document is opgemaakt. Sommige archiefinstellingen hebben ze al online geplaatst; bij andere kun je ze inzien op de studiezaal.
In een testament zijn soms aanwijzingen te vinden over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de erfgenamen; bijvoorbeeld wanneer iemand niet direct aanspraak kon maken op de nalatenschap omdat hij of zij om psychische redenen onder curatele was gesteld. Maar er zijn ook directe aanwijzingen van lichamelijke gebreken te vinden. Zo bepaalde ‘koemelkersche’ Grietje Vissia in 1873 in haar testament dat 500 gulden uit haar nalatenschap bestemd was voor de twee doofstomme zoontjes van haar broer.
Ruim zestig jaar eerder, in 1812, had Pieter Huijbregts van der Lelij door notaris Coenraad van Vrijberghe de Coningh het volgende laten optekenen: ‘Ik laat na en bespreek aan mijne krankzinnige dogter Jannetje van der Leely bij mij thans inwoonende zoodaanig deel mijner naalaatenschap als waartoe zij uit dezelve mijne naalaatenschap geregtigd zal zijn.’
Pas aan het begin van de 19de eeuw kreeg de medische wereld aandacht voor niet-lichamelijke ziekten. Daarvóór werden psychiatrische aandoeningen toegeschreven aan de duivel, verkeerde lichaamssappen of een slechte levenswandel. De Eerste Krankzinnigenwet van 1841 maakte onderscheid tussen ongeneeslijke en geneeslijke ‘krankzinnigen’, zoals psychiatrische patiënten toen nog genoemd werden; letterlijk: ziek van zinnen, van geest. Het begrip werd behoorlijk ruim toegepast: zo werden epileptici ook nog jarenlang als krankzinnig beschouwd.
Ongeneeslijke krankzinnigen werden ondergebracht in bewaarplaatsen, geneeslijke in krankzinnigengestichten, waaraan artsen verbonden moesten zijn. Geesteszieken mochten alleen opgenomen worden na een rechterlijke machtiging en een medisch onderzoek, en het verblijf in een gesticht moest periodiek worden overwogen. Met name dit laatste biedt vaak aanknopingspunten voor verder onderzoek.
Sommige instellingen hebben de patiëntendossiers niet vrijgegeven voor inzage. In zo’n geval bieden de rechtbankarchieven mogelijk uitkomst. Je vindt die bij de regionale archiefinstellingen. Als de rekesten (verzoekschriften) om opname bewaard zijn gebleven, vind je daarbij vaak een artsenverklaring die aanwijzingen kan bevatten over de aard van de aandoening.
Bij opname werden patiënten ingeschreven in zogenoemde stamregisters. Daarin komen ook verwijzingen naar rechtbankbeschikkingen voor over opname in het gesticht of verlenging van het verblijf. Soms bevatten de registers ook informatie voor over iemands ziektebeeld en details over de reden waarom iemand in aanmerking kwam voor (verplichte) opname.
Soms kom je ook iets te weten over de geestelijke gesteldheid van een persoon, bijvoorbeeld wanneer een familielid iemand onder curatele liet plaatsen. Hiervan werd melding gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant. In de historische-krantendatabase van de Koninklijke Bibliotheek, Delpher, vind je ruim 100 miljoen pagina’s uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften, waaronder de staatscourant.
Tussen 1841 en 1884 werden krankzinnigen verplicht onder curatele gesteld; in dat geval is de naam van de persoon in kwestie in een curateleregister opgenomen. Deze registers bevinden zich ook in de rechtbankarchieven.
Meer informatie over psychiatrische patiënten en hoe en waar je het beste naar informatie kunt zoeken lees je in het boeiende artikel van Marita van Brussel in Gen. magazine nr. 3 van september 2019, ‘Te gek om los te lopen’.
Van 1865 tot 1927 had een behandelend arts of gemeentelijke lijkschouwer in Nederland, die de doodsoorzaak van iemand vaststelde, de plicht om een overlijdensverklaring op te stellen. Die verklaring ging naar de ambtenaar van de burgerlijke stand in de plaats waar de persoon was overleden.
Als het een natuurlijke doodsoorzaak betrof, gaf de ambtenaar toestemming tot begraven. Na de invoering van de Begraafwet (later Begrafeniswet) op 10 april 1869 kon er zonder doodsverklaring niet worden overgaan tot begraven.
Helaas zijn veel van deze verklaringen verloren gegaan, maar niet allemaal. Het loont dus de moeite te zoeken in de archieven van de plaats waar je voorouder overleden is. Veel archiefdiensten hebben de inventarissen van hun archieven online staan. Raadpleeg de rubriek ‘burgerlijke stand’ of ‘gezondheid’ in de inventaris van het administratieve archief van de gemeente, of zoek op ‘verklaring van overlijden’.
Vanaf 1 januari 1927 werd de arts wettelijk verplicht twee verklaringen op te maken: een ‘A- doodsbriefje’ en een ‘B-doodsbriefje’. Op het A-briefje werd een summiere beschrijving van de doodsoorzaak gegeven. Dit briefje ging naar de ambtenaar van de burgerlijke stand. Vanaf 1956 staat op het A-briefje alleen of de doodsoorzaak natuurlijk is of niet.
Het B-briefje was een meer uitvoerige beschrijving van de doodsoorzaak, en dit ging naar het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Sinds 1950 bewaart het CBS deze briefjes. Ze zijn niet openbaar en alleen te raadplegen voor wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld genetische research.
Helaas hebben ook veel gemeenten de A-briefjes vernietigd. De briefjes die wel bewaard zijn gebleven, vind je verspreid over regionale en gemeentearchieven. het Brabants Historisch Informatie Centrum, het Regionaal Archief Rivierenland, het Regionaal Archief Tilburg, het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, het Streekarchief Voorne-Putten en het West-Brabants Archief hebben de doodsoorzaakbronnen al (deels) geïndexeerd, zodat ze op naam doorzoekbaar zijn.
In de periode 1939 tot 1956 werd de doodsoorzaak van het A-briefje ook op de persoonskaart van de persoon in kwestie genoteerd. Bij het verstrekken van kopieën van persoonskaarten is het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis echter wettelijk verplicht de doodsoorzaken af te schermen, samen met andere privacygevoelige zaken zoals kerkelijke gezindte of verlies van het Nederlanderschap.
Hoewel het in Nederland – in tegenstelling tot een aantal andere landen – niet gebruikelijk was en is om de doodsoorzaak in een akte van overlijden te vermelden, kunnen ze wel vaak een aanwijzing bevatten over hoe de persoon in kwestie aan zijn of haar eind is gekomen. De plaats waar iemand is gestorven, wordt namelijk wel vaak vermeld. Is het een ziekenhuis of een krankzinnigengesticht, dan is de oorzaak meestal een ziekte, en kun je op zoek gaan naar patiëntenregisters of rechtbankstukken. Is het een wat onbestemde plek als ‘in het veld achter de boerderij’, dan is de overledene waarschijnlijk bezweken aan een hartaanval of slachtoffer geworden van een ongeluk of misschien wel een misdrijf. Is zijn lichaam in het water gevonden, lijkt verdrinking de meest voor de hand liggende doodsoorzaak.
Ook voor overlijdensoorzaken loont het de moeite de historische-krantendatabank Delpher te doorzoeken. Zeker als er sprake was van een ongeluk werd daarvan dikwijls met naam en toenaam melding gemaakt in de plaatselijke kranten.
Soms wil de familie in een advertentie of een bidprentje na het overlijden nog wel eens iets loslaten over de doodsoorzaak van de overledene. Vaak is de enige indicatie ‘een lang en smartelijk lijden’, of ‘een kort ziekbed’, maar een enkele keer zijn de nabestaanden wat explicieter, zoals de heer Rierink, die in maart 1801 melding maakte van het overlijden van zijn vrouw Johanna Maria Pot als gevolg van ‘eene longteerende ziekte’. Zes dagen later overleed ook zijn slechts een maand oude zoontje.
Je vindt een uitgebreide verzameling bidprentjes en familieadvertenties op onze website CBG Verzamelingen.
Dezelfde website bevat een collectie oorlogsbronnen, bestaande uit Rode-Kruiskaarten en Duitse overlijdensakten, die op naam doorzoekbaar zijn. De laatste categorie vermeldt in naar schatting een kwart van de gevallen de doodsoorzaak.
Het Nationaal Archief heeft op zijn website een collectie scans van Japanse interneringskaarten geplaatst, een registratie van personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Japans gevangenenkamp terecht zijn gekomen. In het geval van overlijden werd soms de doodsoorzaak op de achterkant vermeld. De tekst op de kaart is in het Japans, maar in de omschrijving vind je dan onder ‘Other info’ de Engelse vertaling.
Ook in het geval van oorlogsslachtoffers kan de historische-krantendatabank Delpher een waardevolle bron zijn. Zo werden ter dood veroordeelde verzetsstrijders dikwijls met naam en toenaam in de krant genoemd – op die manier kan je erachter komen dat een tijdens de oorlog overleden voorouder niet als soldaat is gesneuveld of tijdens een bombardement is omgekomen, maar door de Duitse bezetter is geëxecuteerd.
De jaartallen 1940-1945 zullen de meesten van ons wel alert maken op andere doodsoorzaken dan een hoge leeftijd. Maar ook tal van andere jaartallen kunnen een indicatie zijn van een voortijdig levenseinde.
Is iemand bijvoorbeeld in 1918 overleden? Dan is de kans groot dat hij of zij aan de Spaanse griep is overleden. Die ziekte maakte in dat jaar in Nederland alleen al binnen enkele maanden 27.000 slachtoffers. Zie je in je stamboom dat in een gezin meerdere mensen in 1866 zijn overleden? Dan zijn ze mogelijk slachtoffer geworden van de grote cholera-epidemie die in dat jaar ons land teisterde. Stierven ze een klein decennium later, dan was waarschijnlijk de pokkenepidemie de boosdoener. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de buskruitramp in Leiden van 1807, waarbij een met buiskruit geladen schuit in de gracht van het Rapenburg explodeerde, of aan de uitbarsting van de vulkaan Tambora in Indonesië in 1815. Deze veroorzaakte het jaar erop in Europa en de Verenigde Staten ‘het jaar zonder zomer’, een uitzonderlijk koud en nat jaar dat zorgde voor misoogsten en hongersnood.
Op de sites Historische rampen in Nederland en Epidemieën en plagen in Nederland vind je overzichten van de veroorzakers van massale sterfte door de eeuwen heen. Kijk ook eens in de jaarverslagen van de gemeenten of notulen van de gemeenteraad.
Het kan natuurlijk ook zijn dat je voorouders niet zozeer met ziekte te maken hadden omdat ze er zelf aan leden, maar omdat ze anderen hielpen weer gezond te worden – of althans een poging daartoe ondernamen.
Of ze daarin altijd even succesvol waren, valt natuurlijk te betwijfelen, getuige bijvoorbeeld onderstaand recept uit 1834 van een ‘ouden Utrechtschen professor’ tegen hevige wondpijnen. De professor schreef voor gele was, ‘boomolie’ (olijfolie), Spaanse wijn, terpentijn, sandelhout en Sal Prunel in een pannetje te verwarmen en vooral goed te roeren. Sal Prunel was een mengsel van gesmolten salpeter en zwavel, dat een ‘verkoelende, dorstlesschende en pisdrijvende kragt’ zou hebben. Het mengsel moest op linnen gesmeerd, en als een pleister op de wond aangebracht worden. Ook moest de patiënt er zestien weken lang een pilletje ‘zoo groot als een groene erwt en in suiker gerold’ van innemen. Het is niet bekend of de patiënt het recept heeft uitgeprobeerd, maar het heeft hem in ieder geval niet geholpen. Hij stierf vijf jaar later, 27 jaar oud, ‘na een allersmartelijkst lijden van 11½ jaren’.
Bovenstaand briefje komt uit een privé-familiearchief. Niet iedereen heeft natuurlijk het geluk dat dergelijke persoonlijke documenten bewaard zijn gebleven, maar zeker als je uit een vooraanstaande artsen- en apothekersfamilie stamt, loont het de moeite eens goed te graven in de plaatselijke archieven.
Ook de rechterlijke archieven, die bij de lokale en regionale archieven worden bewaard, kunnen waardevolle informatie over geneeskundige voorouders bevatten. Zo werd Joseph Baurichter, medicinae doctor te Enschede, op 29 januari 1808 gevraagd als getuige te verschijnen voor het Stadsgericht Enschede om samen met nog drie andere getuigen enkele vragen te beantwoorden over de praktijken van ene F. Berkenfelder, vroedmeester in Enschede en voormalig heelmeester in Haaksbergen. Zij werden ondervraagd over het feit of zij ervan op de hoogte waren dat de heer Berkenfelder zich in Enschede, naast de verloskundige ‘practijcq’, eveneens bezighield met heelkunde en zo nu en dan geneeskunde – iets waartoe hij niet gerechtigd was.
Tot en met 1865 waren de medici in Nederland in twee standen verdeeld. De eerste stand bestond uit universitair opgeleide artsen, de tweede uit niet-universitair opgeleide heel- en vroedmeesters. Deze hadden een vierjarige opleiding gevolgd op een van de twaalf in 1824 opgerichte Geneeskundige Scholen. In 1865 verdween dankzij de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst het onderscheid tussen de twee standen. De titel van arts kon nu alleen worden verkregen door een universitaire studie die leidde tot de bevoegdheid om de genees-, heel- en verloskunde in zijn volle omvang uit te oefenen. De Geneeskundige Scholen moesten hun deuren sluiten, de heel- en vroedmeesters begonnen geleidelijk aan te verdwijnen.
De namen van de personen die een studie hebben gevolgd zijn meestal opgetekend in het inschrijvingsregister van een universiteit, het zogenoemde album studiosorum. De cd-rom die het CBG hiervan heeft uitgegeven is niet meer te koop, maar dikwijls nog wel beschikbaar bij je plaatselijke bibliotheek.
Ben je op zoek naar meer algemene en statistische informatie over de gezondheidszorg in een bepaalde periode in Nederland (zoals het aantal medicinae doctores, plattelandsheelmeesters en vroedvrouwen in een gemeente, de toestand van het drinkwater of informatie over het aantal inentingen bij kinderen), kijk dan eens in de jaarverslagen van de gemeenten of notulen van de gemeenteraad bij het lokale archief.
Als je specifiek geïnteresseerd bent in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden, kun je uit de CBG Bibliotheek het boek ‘Apothekers en Chirurgijns’ aanvragen, een studie over de gezondheidszorg op de Benedenwindse eilanden in de negentiende eeuw.
Helaas, Gen.Magazine is online alleen beschikbaar voor Vrienden van het CBG.
Neem een abonnement om alle edities van Gen. online te kunnen lezen.
Klik op de button om te zien welk abonnement bij jou past.