Het is misschien niet iets om trots op te zijn, maar ze komen in nagenoeg alle families voor: voorouders die om wat voor reden dan ook hun toevlucht namen tot illegale, oneerbare en/of strafbare praktijken. Zeker in vroeger eeuwen was de drijfveer dikwijls armoede: men stal, smokkelde of sjoemelde om het hoofd boven water te kunnen houden, en werd veroordeeld voor ‘mishandeling’ door vechtpartijen waarbij niet zelden (goedkope) alcohol in het spel was – drank deed hen de ellende even vergeten.
Omdat het bronnenmateriaal van vóór de negentiende eeuw zeer beperkt is (je bent dan vrijwel altijd aangewezen op de archieven van de lokale schepenbanken bij de regionaal historische centra), beperken wij ons in dit stuk vooralsnog tot de bronnen van na 1811.
Natuurlijk zijn misdaden als moord en doodslag moeilijker te verkroppen, en de ontdekking van een fout oorlogsverleden kan zelfs behoorlijk emotioneel zijn. Wees hier dus op bedacht wanneer je in de bronnen gaat spitten.
Naast de meer bekende en ‘tijdloze’ vergrijpen als diefstal of mishandeling waren er een paar typisch voor de 19e en begin 20e eeuw.
Hoewel landloperij – het rondzwerven zonder aantoonbare middelen van bestaan, opgenomen als misdrijf in het Wetboek van Strafrecht uit 1809 – pas in 2000 uit het wetboek werd geschrapt, waren er vanaf de tweede helft van de 20e eeuw nauwelijks veroordelingen. In de 19e eeuw werden landlopers echter wél veelvuldig in de kraag gevat. Zwervers en bedelaars (bedelen was eveneens strafbaar) werden opgepakt en in de cel gegooid, dikwijls om later te worden ‘opgezonden’ naar een van de bedelaarskoloniën, de zogenoemde ‘koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid’, zoals het in 1822 in Overijssel opgerichte bedelaarsgesticht de Ommerschans. Later kwam daar het dwanggesticht in Veenhuizen in Drenthe bij.
In 1886 trad een nieuw Wetboek van Strafrecht in werking, ter vervanging van de door de Fransen ingevoerde Code Pénal. Artikel 432 van dat wetboek bepaalde dat zowel openbare bedelarij als landloperij bestraft werd met maximaal twaalf dagen hechtenis. Bij herhaling binnen een jaar kon deze straf met een derde verhoogd worden. Als bijkomende straf kon een plaatsing van maximaal drie jaar in een zogenoemde Rijkswerkinrichting (RWI) worden opgelegd. De Gestichtenwet van 3 januari 1884 wees de gestichten Veenhuizen II en III en het gesticht Oostereiland in Hoorn aan als RWI voor mannen; vrouwen werden ondergebracht in Veenhuizen I. In 1888 werd ook de Ommerschans bestemd als RWI voor mannen. Vanaf 1914 werd er een onderscheid gemaakt tussen gevangenen, veroordeeld wegens een misdrijf, en zogenoemde verpleegden (bedelaars, landlopers, drankwetovertreders en souteneurs), veroordeeld wegens een overtreding.
De database bevat een groot aantal gegevens over mensen die al dan niet gedwongen in de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid verbleven. Het meest interessant zijn natuurlijk de signalementskaarten van opgepakte en veroordeelde bedelaars, die soms zelfs voorzien zijn van een foto.
Geraffineerd zout werd al eeuwenlang gebruikt om het eten smaak te geven en om bederf tegen te gaan, maar ook door boeren om een geslacht varken of kalf te pekelen. Een gemiddeld arbeidersgezin gebruikte toen wel een halve kilo zout per week: ongeveer een kwart dagloon. Waarschijnlijk konden smokkelaars een tot twee cent winst maken op een kilo illegaal ingevoerd zout. Ervan uitgaande dat iemand per keer maximaal 40 tot 50 kilo zout kon vervoeren, betekent dat dat één geslaagde tocht ongeveer het dagloon van een volwassen arbeider kon opleveren. De zoutsmokkel kwam pas goed op gang toen onze zuiderburen in 1872 de accijns op zout afschaften. De Belgische regering beschouwde zout voortaan als een noodzakelijk goed voor het huishouden; Nederland zou pas vele jaren later volgen.
Zachte zeep speelde een belangrijke rol in de wolnijverheid. Het wassen van de wol gebeurde oorspronkelijk in een wasbad van 5 delen water op 1 deel rottende urine, omdat dit goedkoper was dan zachte zeep. Na de Belgische opstand verviel in België de accijns op zachte zeep en werd het op grote schaal de grens over gesmokkeld. De smokkel in zout en/of zeep staat in de (Brabantse) gevangenisregisters en rechtbankvonnissen omschreven als ‘zout- en zeepfraude’.
Venten is het verkopen van goederen van huis tot huis of op straat, zonder vaste verkoopplaats. Het ‘leuren’ langs de huizen zonder toestemming van burgemeester en wethouders kon je lange tijd op een dag hechtenis komen te staan. Tegenwoordig is het venten zelf niet meer strafbaar, maar overtreding van de regels, zoals het niet hebben van een ventvergunning, kan leiden tot een boete of andere sanctie.
Voor wie geïnteresseerd is in de koloniën: Historicus Wil Schackmann heeft er vier interessante boeken over geschreven: De bedelaarskolonie, De proefkolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie. De meeste mensen zullen Veenhuizen echter kennen van het boek ‘Het pauperparadijs’ van schrijfster Suzanna Jansen.
Gelukkig zal het overgrote deel van de ‘zonden’ van je voorouders bestaan uit kleine tot zeer kleine misdaad – zelfs zaken waarvan we ons nu afvragen hoe ze ooit strafbaar hebben kunnen zijn (althans in de mate waarin ze dat in vorige eeuwen waren). Dergelijke kleine vergrijpen, overtredingen waarvoor met name geldboetes werden opgelegd of waarop hoogstens een tot een paar dagen celstraf stond, werden doorgaans behandeld door de kantonrechter. De archieven zijn over het algemeen te vinden bij de regionaal historische centra (rhc’s); de meeste zijn helaas nog niet gedigitaliseerd of niet op naam doorzoekbaar.
Als je weet wanneer een voorouder is veroordeeld en door welk kantongerecht (dit kun je doorgaans vinden bij zijn of haar inschrijving in de gevangenisregisters, zoek dan op de website van de betreffende rhc onder ‘Bronnen’ of ‘Archieven’ en kies voor de optie ‘Justitie en rechtspraak’. Je kunt dan het betreffende dossier opvragen en ter plekke inzien. Houd er wel rekening mee dat er soms een openbaarheidsbeperking op de stukken rust en je deze niet kunt inzien, of alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van de rijksarchivaris van de provincie in kwestie. Lees op de website van het betreffende archief vooral de toelichtingen die worden gegeven bij de verschillende collecties en bronnen. Dit biedt je de nodige achtergrondinformatie en vergemakkelijkt het zoeken.
In tegenstelling tot de minder ernstige overtredingen als openbare dronkenschap en venten zonder vergunning, staan de vonnissen van meer serieuze misdrijven, zoals mishandeling, diefstal en moord, vaak wel online. Deze zaken werden behandeld door de hogere rechtbanken zoals de arrondissementsrechtbank en het Hof van Assisen. Vooral de strafvonnissen van arrondissementsrechtbanken zijn door veel archiefinstellingen op naam doorzoekbaar gemaakt. Onder andere Tresoar (Alle Friezen), het Gelders Archief, het Noord-Hollands Archief en het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) hebben al veel daarvan op hun website staan. De meer uitgebreide strafdossiers zijn vaak niet online te raadplegen en zul je dus ter plekke moeten gaan inzien. Bij echt spectaculaire zaken kan je al veel aanwijzingen in oude kranten vinden; wees je er echter van bewust dat de verslaggeving niet altijd even waarheidsgetrouw was!
Zoals gezegd bleef het Franse strafrecht in ons land bestaan tot de invoering van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht in 1886. Dit heeft tot gevolg dat de zwaardere strafzaken in de periode 1811-1886 zich niet bevinden in de archieven van de arrondissementsrechtbanken, maar in die van de Hoven van Assisen, de Provinciale Gerechtshoven en de gerechtshoven. Dit veranderde na de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht.
Naast de vonnissen zijn vooral de processen-verbaal interessant, die helaas veel minder vaak online te vinden zijn. Een proces-verbaal werd opgemaakt door de griffier van de rechtbank en bevat een verslag van feiten op basis waarvan de rechter tot zijn oordeelsvorming kwam. In deze dossiers vind je verslagen of samenvattingen van de verhoren van de verdachten en de getuigen, en wat de officier van justitie tijdens de zitting heeft gezegd. Naast gevangenisstraf kon een boete worden opgelegd, en konden de kosten van de rechtszaak ook ten laste van de veroordeelde worden gebracht. Als deze die kosten niet kon betalen, werd een extra periode hechtenis opgelegd.
Sommige archiefdiensten, zoals het Friese Tresoar, hebben de rolboeken van de arrondissementsrechtbanken online gezet. De rol is het overzicht van de zaken die behandeld werden tijdens de zittingen. Daarin staan de personalia van de verdachte, de aard van de beschuldiging, de namen van de verdedigers, de datum van het vonnis van het Gerechtshof, de duur van de straf en soms nog wat aanvullende aantekeningen vermeld.
Als je geluk hebt, is het hele strafdossier bewaard gebleven. Naast de gebruikelijke stukken als processen-verbaal van de verhoren door politiebeambten kan je hierin soms correspondentie vinden tussen de verdachten en hun familie, en in latere tijd foto’s van bijvoorbeeld de plaats delict of sectiefoto’s, of rapporten door psychologen of andere deskundigen. In uitzonderlijke gevallen bevat het dossier zelfs voorwerpen die als bewijsstuk hebben gediend – van documenten waarmee een fraudeur heeft geknoeid tot een moordwapen.
Politiearchieven kunnen gegevens bevatten die om een of andere reden buiten het strafdossier zijn gebleven, bijvoorbeeld in eerste instantie geconstateerde feiten in het onderzoek, of zaken die later niet relevant geacht werden. Helaas is het bij politiearchieven in veel gevallen net zo gegaan als bij strafdossiers, en is het merendeel ervan vernietigd of verloren gegaan.
De rechtspraak in misdrijven die werden begaan door militairen werd gedaan door de krijgsraden. Dikwijls was het vergrijp desertie, maar ook diefstal, belediging, mishandeling en oplichting kwamen vaak voor. De straffen waren niet mals: een afranseling met een stok, riet of touw was een populaire maatregel, net als eerloos ontslag uit het leger.
Omdat veel gedaagden een valse naam en geboortedatum opgaven, of omdat hun naam verkeerd gespeld werd, kan het zoeken naar hun strafzaken een lastige opgaaf zijn. Zoek daarom eerst in de uittreksels uit de militaire stamboeken, die te vinden zijn bij het Nationaal Archief. Daar bevinden zich overigens ook de (geïndexeerde) procesdossiers van de Hoge Krijgsraden.
Naast aparte rechtbanken waren er voor militairen in garnizoenssteden overigens ook aparte gevangenissen, de zogenoemde provoosthuizen.
Tot ongeveer 1850 was het heel gewoon veroordeelden samen in één ruimte op te sluiten. Wetenschappers in de Verenigde Staten bogen zich over de vraag of dit wel verstandig was; misschien brachten misdadigers elkaar wel op kwalijke ideeën. In afzonderlijke opsluiting zouden ze wellicht over hun daden kunnen gaan nadenken en tot inkeer komen. Dit idee waaide over naar Nederland, en in 1850 werd in Amsterdam aan de Weteringschans een nieuwe gevangenis gebouwd met allemaal aparte cellen in plaats van grote zalen. Na enige tijd werd het systeem van eenzaam opsluiten, het zogenoemde ‘cellulaire systeem’, overal ingevoerd. In de bestaande gevangenissen was daarvoor niet genoeg ruimte, dus werden er nieuwe gebouwen neergezet. De eerste cellulair opgesloten gevangenen hadden zelden contact met de buitenwereld. Ze mochten een brief per week schrijven of ontvangen, en maar een keer in de maand bezoek ontvangen, en dan altijd met een bewaarder erbij. Bewaarders mochten niet tegen de gevangenen praten. Buiten de cel kregen de gedetineerden een celkap op, een soort masker met twee gaten voor de ogen, zodat ze elkaars gezicht niet konden zien. Zelfs in de kerk werd hun hoofd in een soort kijkluikje opgesloten, zodat ze alleen naar het altaar konden kijken en niet naar elkaar.
De inschrijvingsregisters van gevangenissen (ook te vinden onder ‘instellingsregisters’) vermelden naast personalia van de gevangene ook het kantongerecht dat hem of haar veroordeeld heeft. Dit helpt je bij het zoeken naar het strafdossier. Wanneer iemand is opgepakt voor landloperij of bedelarij en veroordeeld tot opname in een van de bedelaarsgestichten, wordt hiervan ook melding gemaakt. Daarnaast bevatten sommige registers ook een signalement van de gevangene.
In 1882 besloot de toenmalige Minister van Justitie A.E.J. Modderman dat hij een ‘Geheim Register van Ontslagen Gevangenen’ wilde laten uitgeven, om de ‘alsnog in het algemeen gevaarlijk te achten gevangenen’ in de gaten te kunnen houden. Het register moest geheim blijven om te voorkomen dat ‘welgezinde ontslagenen in hunne pogingen om op eerlijke wijze aan den kost te komen, worden belemmerd’. De publicatie begon als proef, maar was klaarblijkelijk zo succesvol, dat het maandblad (dat in eerste instantie alleen aan de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven en Officieren van Justitie werd gestuurd, later ook aan politiecommissarissen van grotere gemeenten) in totaal veertien jaargangen kende.
Het register bevatte de fotoportretten, persoonsgegevens en justitiële antecedenten van alle recidivisten uit de cellulaire of strafgevangenissen in Hoorn, Leiden, ’s-Hertogenbosch, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht met een voltooide gevangenisstraf van meer dan twee jaar gemeenschappelijke, of meer dan een jaar eenzame opsluiting, en alle vrijgelaten gevangenen uit het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden. In het laatstgenoemde instituut – later de Bijzondere Strafgevangenis voor mannen genoemd – werden aan het einde van de negentiende eeuw voornamelijk de ‘zware’ gestraften van Nederland ondergebracht.
Het Geheim Register van Ontslagen Gevangenen over de periode 1882-1896 bevat ongeveer 1700 signalementen en beschrijvingen van gevangenen en 1600 portretfoto’s. Op de website van het Fries Fotoarchief kun je ze doorzoeken en bekijken. Bij de foto’s staan verwijzingen naar het Register zelf: het bladnummer, de jaargang en het register-/fotonummer. Je kunt het Register over de periode mei 1882 tot januari 1890 ter inzage aanvragen uit de CBG Bibliotheek.
Glasplaten met foto’s van gevangenen uit de Bijzondere Strafgevangenis van Leeuwarden over de periode 1880-1935 (dus ver na verschijning van het Geheim Register) bevinden zich in het Nationaal Gevangenismuseum in Veenhuizen. Ook Museum Blokhuispoort heeft alle 1800 portretten gescand en online gepubliceerd, maar slechts met een beperkte naamindex.
Met name het Noord-Hollands Archief en ook het Brabants Historisch Informatie Centrum hebben hun dossiers over veroordeelde militairen online staan.
Onder invloed van ideeën over staatsvorming ontstond na de Franse Tijd (1795-1813) steeds meer de behoefte aan handhavers van het gezag. Al snel werden in veel plaatsen gemeenteveldwachters aangesteld. Daarnaast werd in 1858 een (landelijk) Korps Rijksveldwacht opgericht. Vaak werden deze posities gevuld door oud-militairen. In eerste instantie werden er niet veel inhoudelijke eisen gesteld aan de functie: het uniform moest ontzag inboezemen. Het werk werd ook niet heel goed betaald, al was er vaak wel extra kleedgeld (voor het uniform), en soms ook kostgeld of een dienstwoning. Ook kon na het oplossen van een bijzonder misdrijf wel eens een eenmalige beloning volgen; een eigenaar van land waarop was gestroopt stopte dan bijvoorbeeld tien gulden in de hand van de diender die de stropers in de kraag had gevat.
Pas in de jaren dertig van de 20ste eeuw werden er langzaamaan meer eisen aan het werk van veldwachters gesteld. Zo werd onder meer vastgelegd dat zij konden worden bijgestaan door de marechaussee. Aan de hand van gemeenteraadsnotulen is enig onderzoek verricht naar de positie van veldwachters. Daar blijkt vooral uit dat zij in de raad werden besproken als ze werden aangesteld, een misstap hadden begaan, of werden ontslagen.
Er bestaat geen centraal register van veldwachters of soortgelijke gezagshandhavers. Wel bestaan er (onvolledige) lijsten van marechaussees, maar deze beslaan vooral de 20ste eeuw.
Op de laatste dag van 1851 bepaalde Minister van Justitie Johan Nedermeijer dat vanaf 1 januari 1852 een ‘Algemeen Politie-Blad voor het Koninkrijk der Nederlanden’ zou worden uitgegeven, waarin besluiten, oproepen, signalementen en dergelijke bekend konden worden gemaakt. De afleveringen verschenen tweewekelijks en konden later bijeengebonden worden in een band. Het zou het officiële orgaan worden voor mededelingen over personen en (straf)zaken. Deze zogenoemde signaleringen (grofweg vertaald als ‘wordt gezocht’) vulden samen met de categorie ‘uitgezette vreemdelingen’ het grootste deel van het tijdschrift. Ook meldingen over wetswijzingen (vooral als deze te maken hadden met boetes) en de benoemingen van veldwachters vormden een deel van de inhoud. Vanaf 1920 werden er ook enkele portretten opgenomen, en in 1923 veranderde het formaat van pocket naar groot formaat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het blad bestaan onder redactie van de bezetter, en al op 22 januari 1945 verscheen een versie vanuit bevrijd Nederland. Op 5 juli 1947 is het Algemeen Politieblad omgevormd tot een vaktechnisch tijdschrift waarin naast inhoudelijke artikelen alleen nog personalia van agenten werden vermeld. Het opsporingregister dat het Politieblad bijna honderd jaar was geweest, bestond vanaf dat moment niet meer in die vorm.
Vooral in de eerste decennia waarin het tijdschrift werd uitgegeven waren de beschrijvingen erg uitgebreid. Deze kunnen dus veel extra informatie verschaffen voor je onderzoek.
Helaas, Gen.Magazine is online alleen beschikbaar voor Vrienden van het CBG.
Neem een abonnement om alle edities van Gen. online te kunnen lezen.
Klik op de button om te zien welk abonnement bij jou past.