Vanaf 1865 moet in Nederland de dokter die de dood van iemand vaststelt een verklaring van overlijden opmaken, waarin hij of zij aangeeft wat de doodsoorzaak was. Dit doodsbriefje ging in eerste instantie naar de ambtenaar van de burgerlijke stand. Vanaf 1926 bestaan de doodsbriefjes uit twee delen: deel A bevat een beknopte doodsoorzaak en deel B een uitgebreidere verklaring met ziekten waaraan de overledene leed. Dat laatste deel wordt anoniem opgestuurd naar het Centraal Bureau voor de Statistiek en is niet te raadplegen door onderzoekers. De openbaarheidstermijn is gesteld op 75 jaar; in 2026 zou dus jaargang 1950 beschikbaar moeten komen voor genealogisch onderzoek. Deel A is bij een aantal gemeenten bewaard gebleven en vindbaar via regionale archieven.