CBG bronnen
Verver

Verborgen Verleden met Irene Moors

19 januari 2018

Irene Moors gaat op zoek naar haar verborgen verleden.

Tekst: Vera Weterings, met dank aan Yvonne Prins

Irene Moors had een gelukkige jeugd in Haarlem, de stad waar ook haar oma Catharina Geertruida (To) Doing vandaan kwam. Irene heeft mooie herinneringen aan haar grootmoeder en is nieuwsgierig wat er verder over haar en haar voorouders bekend is. Ze kan het haar echter niet meer vragen, want ze is reeds overleden, net als haar ouders.

Irene Moors tijdens opnames Verborgen verleden. Foto: NTR

Irene Moors tijdens opnames Verborgen verleden. Foto: NTR

Irene start haar zoektocht in hartje Haarlem, waar haar moeder is geboren en haar oma heeft gewoond. Ze spreekt af met Bianca Hoefman van het Noord-Hollands Archief in een oud café in Haarlem. Bianca toont Irene de geboorteakte van haar oma Catharina Geertruida (To) Doing. Hieruit blijkt dat Catharina’s vader Leonardus Doing huisschilder was en zijn moeder Alida Hegemann.

Haarlemse tapster

Irene en Bianca Hoefman. Foto: NTR

Irene en Bianca Hoefman. Foto: NTR

Wat niet in de uitzending naar voren komt is een korte achtergrond bij de familienaam Doing.  Irene vond deze familienaam maar vreemd. Wat is de herkomst hiervan? Betovergrootvader Gradus Doing was geboren in Deventer als zoon van Johann Heinrich Doinck, gedoopt te [Loikum] in Pruissen op 3 juli 1792.

In het café in Haarlem toont Bianca Irene een afstammingsreeks en laat ze zien dat Alida Hegemann de dochter was van Christina Elisabeth Obbelaar. Christina werd in 1810 in Vlissingen geboren en was tapster. Ze trouwde op 9 november 1836 met sergeant Ignatius Hegemann.  De reden dat Irene Bianca in een café in Haarlem ontmoet, is omdat het café de Blauwe Druif ook in Christina’s tijd al bestond en ze het waarschijnlijk heeft gekend.

Geboorteakte Catharina Geertruida (To) Doing via WieWasWie uit de collectie van het Noord-Hollands Archief..jpg WieWasWie

Geboorteakte Catharina Geertruida (To) Doing via WieWasWie uit de collectie van het Noord-Hollands Archief.

Buitenechtelijke kinderen

Irene vraagt zich af hoe een meisje uit Vlissingen in Haarlem terecht kwam. Ignatius is mogelijk gelegerd geweest in Vlissingen en daar in contact gekomen met voormoeder Obbelaar. Uit deze relatie is reeds in 1831 een kind geboren dat later door Ignatius Hegemann gewettigd is, zo blijkt uit de huwelijksakte. Om meer te weten over voormoeder Obbelaar vertrekt Irene naar Vlissingen. Ze spreekt af met archivaris Ad Tramper in het gemeentearchief van Vlissingen. Hij laat haar de geboorteakte van Christina Elizabeth Obbelaar, ook wel geschreven als Hobbelaar, zien. Zij was een dochter van een ongehuwde moeder, die van verschillende mannen kinderen had. In het wijkregister is te vinden wie waar in Vlissingen woonde in een bepaalde tijd, zo ook van Christina Elizabeth Obbelaar. Zij woonde bij haar vader Johannes Obbelaar, karreman van beroep. In  februari 1827 overleed Johannes Obbelaar in Hoorn, maar het overlijden werd pas in september dat jaar ingeschreven in Vlissingen.

Irene en  archivaris Ad Tramper. Foto: NTR

Irene en archivaris Ad Tramper. Foto: NTR

Bedelaarsgesticht

Gevangeniscomplex_Oostereiland_breed.jpg

Oostereiland Hoorn.

Irene wil ook hier meer van weten en gaat naar Hoorn waar zij een ontmoeting heeft met historica Willeke Jeeninga. Ze spreekt af op het Oostereiland, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw een gevangenis. Willeke vertelt Irene dat het Oostereiland verder terug in het verleden ook een bedelaarsgesticht is geweest en wel het gesticht waar haar voorvader Johannes Obbelaar is overleden. Een bedelaarsgesticht was een plek waar mensen zonder vaste woonplaats werden opgesloten. Waarom heeft het zo lang geduurd dat men in Vlissingen het bericht ontving van het overlijden van Obbelaar? Willeke legt uit dat het mogelijk is dat zijn stoffelijk overschot gebruikt werd voor een anatomische les. Dat gebeurde in die tijd vaker in Hoorn waar de klinische school, een medische school, gevestigd was. Deze school gebruikte lijken uit het gesticht voor de snijtafel van de anatomische les.

Irene en historica Willeke Jeeninga. Foto: NTR

Irene en historica Willeke Jeeninga. Foto: NTR

Vondeling

Vermelding van de doop van Ignatius Hegemann in het doopboek van De Krijtberg in de collectie van het Stadsarchief Amsterdam.JPG

Vermelding van de doop van Ignatius Hegemann in het doopboek van De Krijtberg in de collectie van het Stadsarchief Amsterdam.

De zoektocht begon bij de tapster in Haarlem die was getrouwd met sergeant Ignatius Hegemann. Ignatius werd geboren in Amsterdam. Daarom heeft Irene contact gezocht met Harmen Snel van het Stadsarchief Amsterdam. Ze heeft met hem afgesproken bij de katholieke kerk Krijtberg in hartje Amsterdam. Harmen vertelt Irene dat Ignatius in 1808 werd gedoopt in deze kerk en een onecht kind was van Maria Anna Barbiers, waarbij als vader Joannes Bartholomeus Vooren in het doopboek vermeld staat. In de huwelijksakte van Maria is te lezen dat zij in 1827 met Hermanus Hendricus Hegemann trouwt. Hermanus verklaart dan de vader van Ignatius te zijn. Ignatius heeft verschillende namen gehad. Zo staat hij in zijn stamboek eerst vermeld als Jan Aimé, een vondeling. Irene leerde Ignatius kennen als de man die de tapster trouwde. Maar Ignatius werd in de Krijtberg gedoopt als Ignatius Vooren en in zijn militaire stamboek staat dat hij een vondeling was met de naam Jan ermee, pas als hij negentien is krijgt hij de naam Hegemann mee. Wat is er met hem gebeurt?

Irene en archivaris Harmen Snel. Foto: NTR

Irene en archivaris Harmen Snel. Foto: NTR

Harmen neemt Irene mee naar het Stadsarchief Amsterdam waar hij een inneemboekje van het Aalmoezeniersweeshuis laat zien. Hierin is te lezen dat Ignatius in 1813 als Jan Aimé in het Aalmoezeniersweeshuis werd ingeschreven. Op het briefje dat zijn moeder bij het kind achterliet stond namelijk geschreven dat het kind Jantje Aimé heet, 4,5 jaar oudt is en in het Roomse geloof opgebracht. Jan werd dus door zijn moeder achtergelaten bij het weeshuis waar hij is opgegroeid en vervolgens al jong in het leger terechtkwam. Op een gegeven moment is Jan door zijn moeder opgespoord en heeft zij hem alsnog erkend. Jan kreeg toen de naam Hegemann.

Irene en archivaris Harmen Snel. Foto: NTR

Irene en archivaris Harmen Snel. Foto: NTR

Theatergeschiedenis

Na het verleden van Jan te hebben uitgeplozen gaat de zoektocht verder. Jan Jan was de zoon van Maria Anna Barbiers. Haar ouders waren Bartholomeus Barbiers en Anna Boom. Van de vader van die Bartholomeus, Pieter Barbiers heeft Harmen een interessant document gevonden: een boedelinventaris. In zo’n inventaris kun je lezen wat mensen bezaten. In de inventaris van Pieter Barbiers staat onder andere het volgende vermeldt: goud, zilver, drie violen, een fluit, dambord met schijven, microscoop, verrekijker, schilderijen, prenten, tekeningen en een kastje met schilder gereedschap en materialen. Irene wordt nieuwsgierig naar Pieter.  Om meer over hem te weten te komen, brengt Irene een bezoek aan de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, daar worden objecten bewaard uit de vaderlandse theatergeschiedenis.

Irene en conservator Hans van Keulen. Foto: NTR

Irene en conservator Hans van Keulen. Foto: NTR

Bij de Bijzondere Collecties spreekt Irene af met conservator Hans van Keulen, hij weet meer over Pieter Barbiers en zijn zoon Bartholomeus Barbiers. Voorouders Bartholomeus en Pieter Barbiers tekenden allebei theaterdecors. Pieter werkte voor de stadsschouwburg in Amsterdam maar ook voor Leiden en Den Haag. Helaas is al zijn materiaal bij een schouwburgbrand in 1772 verloren gegaan. Wel zijn in de theatercollectie van de Bijzondere Collecties decorontwerpen en toneelbeelden te vinden. Daarnaast is in het Stadsarchief Amsterdam een boekje gevonden dat Pieter maakte over zijn eigen miniatuurtheater en bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum een portret van Pieter.

Portret van Pieter Barbiers, Jacob Ernst Marcus, 1817. Collectie Rijksmuseum.jpg

Portret van Pieter Barbiers, Jacob Ernst Marcus, 1817. Collectie Rijksmuseum.

Schildersfamilie

Tot slot is in het Stadsarchief Amsterdam de huwelijksakte van zijn voorouders gevonden. In deze akte is te lezen dat Antoni Barbiers fijnschilder was en afkomstig uit Roeselare. Irene gaat naar Roeselare en heeft daar in de Sint Michielskerk afgesproken met Wilfried Devoldere. In deze kerk werd Anton gedoopt. Wilfred toont Irene de doopakte van Antoni Barbiers uit 1676, hierin is te lezen dat Antoni in Roeselare werd geboren en de zoon was van Petrus en Petronella Verstrate. Antoni verliet eind zeventiende eeuw Roeselare op weg naar Rome onder invloed van Pieter van Bloeming en de Italiaanse school. Hierna trok hij naar Amsterdam waar hij zich vestigde. Er is slechts één werk bewaard gebleven dat door kunstcritici aan Antoni wordt toegeschreven. Het is dus niet zo gek dat Pieter Barbiers theaterdecors schilderde, hij heeft het immers van zijn vader geleerd. In het stadhuis van Roeselare blikt Irene tot slot terug op haar zoektocht.

Irene en Wilfried Devoldere. Foto: NTR

Irene en Wilfried Devoldere. Foto: NTR

“Het is heel bijzonder om zo je eigen geschiedenisboek in te duiken en die prachtige verhalen te lezen. Het is eeuwen geleden, maar toch gaat het over jou. Dat is echt heel gaaf!”

Nog meer buitenechtelijke kinderen

Wat niet in de uitzending naar voren kwam was dat niet alleen bij de voorouders Hegemann kinderen voor het huwelijk of in onecht werden geboren, ook de ouders van betovergrootmoeder Apolonia van Dijk waren niet gehuwd. Vader Willem van Dijk overleed in 1863, hij was jager van schuiten van beroep. Apolonia van Dijk was in Haarlem geboren op 27 september 1855 als dochter van Apolonia de Nijs en werd door haar vader Willem van Dijk op 10 oktober 1855 erkend.

Limburg

Wat ook niet in de uitzending wordt behandeld is dat de voorouders Moors oorspronkelijk uit Limburg komen, uit Maasniel. Voorvader Mathias (Mathijs) Moors huwde daar tussen 1710 en 1712 met Gertruda Thijssen. In 1718 sloeg het noodlot voor hen toe. Hun huis brandde af.  


“Al is het eeuwen geleden, het is toch familie. Daar ben ik trots op.”