CBG bronnen
Verver

Verborgen Verleden met Herman Finkers

18 maart 2017

De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden is een onderzoek naar de familiegeschiedenis van de hoofdpersoon. Dat wordt voor een groot deel uitgevoerd door de afdeling expertise van het CBG. Natuurlijk komen niet alle familielijnen en ontdekkingen terug in de aflevering. Daarom zorgen wij bij elke aflevering voor extra achtergrondinformatie.

Door Lilian de Bruijn

Herman Finkers archief

Opnames in het archief. Foto: NTR

De veilige kant van de IJssel

Hermenegildus Felix Victor Maria Finkers werd op 9 december 1954 geboren in Almelo. Voor velen zal de eerste herinnering aan zijn theateroptredens samenvallen met het grapje over zijn geboorteplaats waar altijd iets is te doen: ‘Het stoplicht springt op rood, het stoplicht springt op groen.’

De speurtocht naar zijn familie was in verschillende opzichten een verrassing voor Herman. Aan het begin al zei hij ervan uit te gaan dat zijn familie generaties lang in Twente had gewoond, met misschien een klein stapje over de Duitse grens bij Slagharen, maar veel verder toch niet. Ze zouden met het onderzoek wel ‘aan de veilige kant van de IJssel’ blijven. In het Zwols archief, waar hij verschillende aktes over zijn voorouders te zien kreeg, verzuchtte hij dat die voorouders zelf waarschijnlijk nooit zo ver als Zwolle waren geweest.

Het stapje over de grens bij Slagharen bleek een flinke stap te zijn geweest. Via de moeder van de oma van vaderskant, Maria Helena Meijer (1874-1953), kwam Herman in het Duitse Sauerland terecht. Haar grootvader, Hermans betovergrootvader Johannes Casparius Christoffel Meijer (1799-1845) werd geboren in het plaatsje Kallenhardt in Sauerland, zo’n tweehonderd kilometer ten zuidoosten van Slagharen.

Johannes C.C. Meijer verloor zijn beide ouders op jonge leeftijd; op elfjarige leeftijd was hij al alleen op de wereld. Samen met een oom (die had hij dan nog wel) is hij toen te voet naar Nederland getrokken – op de vlucht voor de Napoleontische oorlogen die in hun deel van Duitsland woedden.

‘Het is toch een beetje alsof er een streekroman wordt onthuld’, aldus Finkers, staande in de fraaie kerk van Kallenhardt, waar zijn voorvader ruim tweehonderd jaar geleden werd gedoopt. Ter verhoging van de sfeer, en als bevestiging van de familieband met deze kerk, zien we hem even later in de uitzending ook nog voluit op het orgel spelen.

Laat trouwen

Een van Johannes Casparius’ zoons, Johannes Franciscus geheten, trouwde in 1869 met Maria Helena van der Veen. Hij was kleermaker en zij ‘zonder beroep’; hij was 39 jaar oud en zij 32. Het opmerkelijke is, dat ze al minstens elf jaar samenwoonden toen ze trouwden en vier kinderen hadden. Ook bij een andere voorouder van Herman zien we een huwelijk op gevorderde leeftijd. Joannes Hanste trouwde in 1840 op 61-jarige leeftijd met de 41-jarige Joanna Weersink. Ze waren allebei landarbeiders en hadden samen zes kinderen. 

De gevaarlijke kant

Aan de hand van de familiegeschiedenis van moeders kant kwam Herman tijdens zijn zoektocht toch aan de ‘gevaarlijke’ kant van de IJssel terecht. Voorvader Arie Peters werd in 1800 geboren in Amsterdam. Hij was ‘derdegeneratie’ Amsterdammer. Zijn grootvader Joseph Peters was geboren in Münster en als jonge man naar Nederland getrokken. In 1771 trouwde hij met Giertje Kruijer en werd zodoende ingeschreven in het poortersboek van Amsterdam. Hij vestigde zich als wijnkoper in de volksbuurt de Jordaan, waar ze samen een tapperij dreven. De zaken gingen uiteindelijk niet zo goed. In 1783 werd de tapperij failliet verklaard.

Dat het ook met zijn zoon minder goed ging, moge blijken uit het lot van kleinzoon Arie.

Arie Peters kwam al jong in het Aalmoezeniersweeshuis op de Prinsengracht terecht, samen met een jonger zusje en broertje. Hun moeder was in 1810 overleden en hun vader was er vandoor gegaan. In het weeshuisregister zie je ‘weggelopen’ achter zijn naam staan.

In het Aalmoezeniersweeshuis, oftewel het armenweeshuis, kwamen de wezen terecht die niet door een van de kerkelijke weeshuizen werden opgenomen. Het was het ‘afvalputje’ van de stad, aldus Harmen Snel, stadsarchivaris van Amsterdam. (‘Herman en Harmen,’ merkte Finkers op, ‘wij hebben wel iets met elkaar. We gaan net zolang door met zoeken tot we familie zijn.’)

Net als voorvader Meijer die als weeskind vanuit het Sauerland naar het Overijsselse Slagharen trok vanwege de oorlog, zo kwam ook voorvader Arie Peters als weeskind in Twente terecht.

Allmoezeniersweeshuis

Het Aalmoezeniersweeshuis in de achttiende eeuw. Nationaal Gevangenismuseum via geheugenvannederland.nl

Kinderarbeid in de textiel

Over het algemeen werden de Amsterdamse wezen, zodra ze oud genoeg waren om te werken, naar de Drentse veenkoloniën gestuurd. Door toeval zette Arie zijn verdere leven voort in Twente, doordat hij samen met een groep andere kinderen werd ‘opgekocht’ door een textielfabrikant uit Goor.

Zo kwam voorvader Arie Peters in Overijssel terecht. Hij werd nog bijna een eeuw oud en stierf in 1896 in Enter, twaalf kilometer ten zuidwesten van Almelo.

Twente was in de negentiende eeuw het centrum van de opkomende textielindustrie. Aardig wat voorouders van Herman werkten in de textielindustrie als arbeider of arbeidster, wever, katoenwever, stoomwever, spoelster, machinesmeerder.

Textielarbeiders

Textielarbeiders bij Van Heek in Enschede, eind negentiende eeuw. Katholiek documentatiecentrum Nijmegen via geheugenvannederland.nl

Van Fencke naar Finkers

Waar komt Hermans familienaam eigenlijk vandaan? In het interview dat Gen. met hem had, vertelt hij over de theorie van zijn fantasierijke opa dat het oorspronkelijk om een parlevinker zou gaan, iemand die koopwaar verkoopt vanuit een boot. ‘Later bleek dat opa het woord parlevinker een keer was tegengekomen, de betekenis had opgezocht en het wel een mooie verklaring vond voor zijn achternaam. Er klopte niets van.’

Waar de naam dan wel vandaan komt?

Een algemene verklaring voor de naam Finkers is: beroepsnaam, afgeleid van finker / vinker, met een genitief -s: Finkers zoon. De aanduiding vinker is afgeleid van het werkwoord vinken: het vangen van vinken en ook wel van vogels in het algemeen. In de familiegeschiedenis van Herman zien we echter, dat de naam Finker begint bij een voorvader die Fencke heet. Dat zit zo. Otto Fencke werd in 1795 geboren in Fresenburg in Nedersaksen (in de gemeente Lathen vlak over de grens bij Ter Apel). Hij was timmerman en trouwde in 1823 in Leens, noordwest Groningen, met een hoedenmaakster. Samen zijn ze na verloop van tijd in het Twentse Slagharen terechtgekomen. Hun kinderen kregen de familienaam Finkers. Misschien was Finke een spellingsvariant van Fencke, zodat de kinderen ‘zoon / dochter van Fencke / Finke’ kwamen te heten.

‘In het plat Duits betekent Finke zoiets als vrolijk en onbetrouwbaar’, aldus Herman in het Gen.-interview. ‘Iemand die het allemaal niet zo nauw neemt. Zo iemand waar ik geen tweedehands auto van zou kopen.’